Overslaan en naar de inhoud gaan
Venlo

Venlose reuzen in nieuw katern

Nieuwe Venlose Katern over mythische stadsfiguren , dat is een van de onderwerpen die aan bod komen in de veertiende editie van de Venlose Katernen. Jac Geurts schreef het verhaal over de mythische stadsreuzen Valuas en Guntrud. Daarin komt ook Gertruid Bolwater terug. Bolwater speelde volgens de overlevering een heldhaftige rol tijdens het beleg van Venlo in 1511. De huidige Valuas-pop werd voor het eerst genoemd in de Venlose stadsrekening van 1486, als deelnemer aan de Onze Lieve Vrouwe-processie. In deze processie werden allerlei Bijbelse figuren uitgebeeld, zoals de Keulse Sint Ursula met haar elfduizend maagden en de heilige Christoffel met het Jezuskind op zijn schouders. De reuzenpop stelde de reus Goliath voor, die werd verslagen door de kleine David. Later werd de naam Goliath soms vervangen door (of verbasterd tot?) 'Vulluijes', 'Volluas', 'Falluijes', 'Falluus', 'Voluis' en - voor het eerst in 1708 - 'Valuas'. Vanaf 1536 vermelden de stadsrekeningen ook een vrouwelijke reuzenpop; 'de vrouw van Goliath', 'de reuzinne' en later ook 'de Goliathinne' genoemd. Het geliefde tweetal nam niet alleen deel aan de processie, maar verscheen ook op de Sint Janskermis (rond 24 juni). Toch was niet iedereen gecharmeerd van Goliath en zijn vrouw. In de periode 1632-1637, toen een protestantse magistraat in Venlo de scepter zwaaide, gold er een verbod op het uittrekken van de Mariaprocessie, waaraan ook de reuzen deelnamen. Bovendien kwam de bisschop van Roermond tot twee keer toe tegen het reusachtige echtpaar in het geweer. In 1719 drong bisschop D'Ongnies er bij de Venlose magistraat op aan om de 'soogenoemde Folias ofte Goliath' en diens vrouw uit de Mariaprocessie te verbannen, omdat de dansende reuzen en hun dorstige dragers de plechtigheid van de stoet zouden verstoren. Vanwege de populariteit van de poppen kon de magistraat dit niet over zijn hart verkrijgen, maar hij bepaalde wel dat het echtpaar voortaan helemaal vooraan moest lopen. Waarschijnlijk kwamen Goliath en zijn vrouw zo voor het eerst in contact met schutterij het Akkermansgilde, waaraan ze tot op de dag van vandaag verbonden zijn; de schutters beten namelijk van oudsher de spits af in de processie. In de zomer van 1747 zette bisschop De Robiano opnieuw de aanval in op Goliath en zijn Goliathinne. De bisschop wilde de processie vrijwaren van alle soorten pracht en praal, die volgens hem alleen maar de aandacht afleidden van het allerheiligste. In een boze brief aan de Venlose magistraat schreef hij dat de 'stomme en versmaedelijcke statuen' van Goliath en zijn vrouw voorgoed uit de processie moesten verdwijnen. De magistraat gehoorzaamde, tot groot verdriet van de Venlonaren. Men bedacht echter een ingenieuze oplossing om de reuzen terug te halen: na enkele jaren te zijn opgeborgen, werden de poppen in 1751 weer opgeknapt en omgedoopt tot Valuas en zijn (vooralsnog naamloze) gade. Valuas zou de hoofdman zijn geweest van de Bructeren, een Germaanse stam die aan het begin van onze jaartelling op de rechteroever van de Rijn woonde. Na een verloren oorlog met naburige stammen leidde hij zijn volk in 96 na Christus naar de Maas, waar hij Venlo stichtte. Dit verhaal, dat zoals gezegd in 1754 voor het eerst werd opgetekend, was volkomen fictief; waarschijnlijk werd het speciaal voor deze gelegenheid verzonnen. Nu ze van hun religieuze identiteit waren ontdaan, kunnen de poppen opnieuw hun opwachting maken op de Sint Janskermis. Sindsdien zijn ze nooit meer uit het stadsbeeld verdwenen. Valuas en zijn vrouw Guntrud - zoals ze in de twintigste eeuw is gedoopt - hebben de tand des tijds glansrijk doorstaan. Hoewel de reuzen in de loop der eeuwen zowel van uiterlijk als van identiteit zijn veranderd, laten ze bij speciale gelegenheden nog steeds graag hun gezicht zien en maken ze een dansje.Bij het afscheid van Hotel-Restaurant Valuas gaf Frans Swaghoven in 1998 opdracht voor het vervaardigen van een sculptuur die Valuas en Guntrud (volgens de legende de “stichters”van Venlo) moest voorstellen. Van het kleine formaat werden 300 beeldjes verkocht. Het origineel (1999) is geplaatst op de hoek Deken van Oppensingel - Keulsepoort naast het oudste tankstation van Nederland bij het Limburgs Museum.